Wat zijn plasmaproducten?
Plasmaproducten zijn eiwitten die uit bloed zijn gehaald en als medicijn worden gebruikt voor de behandeling van patiënten met verschillende ziekten.
Samenstelling van bloed
Bloed bestaat voor ca. 45% uit cellen en 55% vloeistof. Er zijn 3 soorten bloedcellen: rode bloedcellen (erytrocyten), witte bloedcellen (leukocyten) en bloedplaatjes (trombocyten).
Behandeling met bloed
Het vloeibare deel van het bloed heet plasma en heeft een helder gele tot lichtbruine kleur. In het plasma zijn mineralen, koolhydraten, vitaminen, vetten en veel soorten eiwitten aanwezig.
Van enkele ziekten is bekend dat patiënten ziek zijn omdat zij sommige eiwitten missen. Door deze eiwitten uit bloedplasma te halen kunnen patiënten hiermee behandeld worden.
Eiwitten uit bloedplasma
Verschillende eiwitten met uiteenlopende functies worden uit het bloed geïsoleerd. De eiwitten kunnen in 4 groepen worden onderverdeeld:
- Stollingsfactoren: eiwitten die samen met de bloedplaatjes het bloed laten stollen
- Immunoglobulinen: eiwitten die het lichaam beschermen tegen infecties, maar die ook het afweersysteem in zijn werking beïnvloeden
- Albumine: eiwit dat betrokken is bij het reguleren van het bloedvolume
- Proteaseremmers: eiwitten die een remmende werking hebben op reacties die zich in ons lichaam afspelen
Ziekten te behandelen met plasmaproducten
Artsen schrijven plasmaproducten voor bij de behandeling van ongeveer 100 verschillende ziekten. Sommige patiënten kunnen niet voldoende of niet de juiste eiwitten maken en krijgen extra eiwitten uit donorbloed toegediend. Deze vorm van therapie wordt suppletietherapie genoemd.
Verstoring van het evenwicht
Gezonde personen hebben een evenwicht tussen de aanmaak en de afbraak van eiwitten die je dagelijks nodig hebt.
Door een aanmaakstoornis kan een tekort aan eiwitten ontstaan. Meestal zijn dit aangeboren aandoeningen en heeft de patiënt zijn hele leven behandeling met plasmaproducten nodig.
Voorbeelden van aanmaakstoornis
- Erfelijke stollingsstoornissen als hemofilie.
- Erfelijke afweerstoornissen als de ziekte van Bruton (geslachtsgebonden agammaglobulinemie).
Deze patiënten maken zelf geen of onvoldoende immunoglobulinen (antistoffen) aan. Door deze verminderde afweer zijn ze extra vatbaar voor infecties. Om infecties te voorkomen krijgen patiënten uit donorbloed geïsoleerde immunoglobulinen toegediend. - Erfelijke complementstoornis die gepaard gaat met zwellingen (angio-oedeem). Patiënten met een tekort aan C1-esteraseremmer hebben last van spontaan optredende zwellingen. Dit kunnen zichtbare zwellingen zijn van gezicht, keel en ledematen, maar ook binnen in het lichaam. Interne zwellingen kunnen zich als pijnlijke buikklachten en darmstoornissen uiten. Aanvallen van zwellingen kunnen worden behandeld met uit donorbloed geïsoleerd C1-esteraseremmer.
Soms is er verstoring van het evenwicht door hele andere oorzaken. Bijvoorbeeld:
- Shock
Hierbij is het circulerend bloedvolume onvoldoende voor een goede weefseldoorstroming. Het weefsel krijgt onvoldoende zuurstof en sterft af. De verstoring van de bloedcirculatie kan komen door bloedverlies (ongeluk, operaties) of bloedvatverwijding (brandwonden, bloedvergiftiging). Voor het herstel en het handhaven van het bloedvolume kan met uit donorbloed gezuiverd albumine worden behandeld. - Acute correctie antistollingstherapie
Een van de functies van bloed is het verzorgen van stolling zodra een bloedvat kapot is. Maar soms stolt bloed terwijl het bloedvat helemaal niet kapot is. Het ontstaan van een bloedprop in een bloedvat, dat niet kapot is, heet een trombose. De vorming van een bloedprop belemmert de bloeddoorstroming. Dit kan op verschillende plaatsen in het lichaam voorkomen. Voorbeelden: trombosebeen, longembolie of beroerte (hersenen). Het herstel van de stolling vindt dan plaats met uit donorbloed geïsoleerd protrombinecomplex - Ontsporing van reacties van het lichaam
Soms wil je verstoring van het evenwicht voorkomen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij passieve immunisatie. Door de toediening van specifieke antistoffen wordt iemand beschermd tegen het mogelijk optreden van een verstoring. De toegediende specifieke antistoffen geven direct bescherming zonder dat het lichaam zijn eigen afweersysteem daartoe moet activeren.
Voorbeelden zijn:
- voorkomen van hepatitis A
- voorkomen van waterpokken
- voorkomen van tetanus
- voorkomen van bloedafbraak bij rhesus-positieve kinderen van rhesus-negatieve moeders