Hepatitis E infecties: terug van weggeweest

Uit een recente studie van de afdeling Bloedoverdraagbare infecties van Sanquin Reserach blijkt dat er in de loop van de tijd zeer grote verschillen in HEV infectiedruk zijn geweest (ref 1). De incidentie van endemische HEV infectie is hoog: ruim 1% van de bloeddonors seroconverteert per jaar, en ongeveer een op de duizend donaties bevat HEV RNA. Dit hoge aantal HEV infecties correspondeert niet met het aantal patiënten met hepatitis E. Het overgrote deel van de autochtone HEV infecties betreft infectie met HEV genotype 3, hetzelfde type dat frequent voorkomt bij Nederlandse varkensbedrijven. Het klinisch beloop van een genotype 3 infectie is mild vergeleken met infectie met HEV genotype 1 (de reizigersvariant). Toch moet het belang van HEV infecties niet onderschat worden. De afdeling Virusdiagnostiek heeft met terugwerkende kracht HEV-RNA bepaald in HEV IgM-positieve monsters die de laatste twee jaar voor diagnostiek zijn ingestuurd. Hierbij is in een onverwacht groot aantal (~150 monsters) RNA aangetroffen. In samenwerking met de inzenders wordt een studie gedaan naar risicofactoren.

In de recente publicatie is de seroprevalentie voor anti-HEV IgG onder bloeddonors gemeten in de jaren 1988, 2000 en 2011. Het bleek dat de seroprevalentie in 1988 veel hoger was dan momenteel het geval is. De seroprevalentie onder bloeddonors van 18-65 jaar was 47%. Er was sprake van een sterke leeftijdsafhankelijkheid: onder donors ouder dan 60 liep de prevalentie zelfs op tot 63%. Tussen 1988 en 2000 daalde de seroprevalentie in de leeftijdgroep van 18-65 naar 27,3%. Tussen 2000 en 2011 was sprake van een verdere daling tot 21% die echter niet veroorzaakt wordt door een lage HEV incidentie maar doordat de oudste donors (met een hoge seroprevalentie) niet meer worden meegerekend. Onder donors jonger dan 21 is tussen 2000 en 2011 een significante stijging van de seroprevalentie waargenomen van 4% naar 11%. In combinatie met het grote aantal HEV-RNA positieve bloeddonors en patiënten wordt geconcludeerd dat de HEV incidentie recent weer sterk gestegen is.

Diagnostiek

HEV infectie wordt serologisch vastgesteld door middel van een positieve IgM anti-HEV EIA-uitslag en sterk positieve IgG anti-HEV. Aspecifieke reacties zijn mogelijk, daarnaast is de IgM-respons soms kortdurend en relatief zwak waardoor acute infecties moeilijk te onderscheiden kunnen zijn van doorgemaakte infecties. Bepaling van HEV-RNA door middel van PCR kan hierbij uitsluitsel geven. Bij patiënten met immuunsuppressie of die chemotherapie ondergaan is de antistof respons tegen HEV niet betrouwbaar en is chronische HEV infectie mogelijk. In deze gevallen kan HEV infectie bevestigd (of uitgesloten) worden met de HEV-RNA test.

(1) Hogema et al, 2014. Past and present of hepatitis E in the Netherlands. Transfusion, in press.

Diagnostische tests

V007: HEV-RNA met PCR
V927: HEV anti IgG en IgM

Laatst bewerkt op: 5 augustus 2014