Sanquin Home Sanquin Home Sanquin
Terug naar Bloedgroepen

Show details for Karl Landsteiner (1868-1943)Karl Landsteiner (1868-1943)

Het bekendste bloedgroepsysteem is het AB0-systeem – dat in 1900 door Karl Landsteiner is ontdekt. Landsteiner zag dat het plasma (bloed zonder bloedcellen) van sommige mensen na menging met de erytrocyten van anderen een krachtige agglutinatie van deze erytrocyten veroorzaakte. Zijn interpretatie hiervan was dat in het plasma van de één antistoffen aanwezig kunnen zijn tegen de erytrocyten van de ander, en dat zich derhalve factoren op de erytrocyten moeten bevinden die bij de een wél en bij de ander niet aanwezig zijn. Hiermee kwam voor de eerste maal het begrip bloedgroep aan de orde, een ontdekking van vérstrekkende gevolgen en bekroond met de Nobelprijs (1930).

Show details for Samenklontering ofwel agglutinatieSamenklontering ofwel agglutinatie
Show details for Geen samenklonteringGeen samenklontering
Show details for De antigenen van het AB0-systeemDe antigenen van het AB0-systeem

De bloedgroepen die Landsteiner ontdekte, werden met de letters A en B aangeduid. Later bleek dat van het gen dat deze bloedgroepen teweegbrengt (dat ervoor codeert) drie allelen bestaan, die respectievelijk met de letters A, B en het cijfer 0 worden aangeduid. De allelen A en B coderen voor een product, maar allel 0 niet: dat is een stom allel. Ieder mens heeft twee allelen van het AB0-systeem – een van de vader en een van de moeder. Dat levert zes mogelijke combinaties op (genotypen). Doordat er een van de allelen stom is, leiden deze zes combinaties tot slechts vier bloedgroepen.

Show details for AB0-bloedgroepen, en hun betekenis voor de bloedtransfusieAB0-bloedgroepen, en hun betekenis voor de bloedtransfusie

Nomenclatuur van bloedgroepen

Landsteiner stelde vast dat in het plasma meestal antistoffen tegen de AB0-bloedgroepfactoren aanwezig waren. Later bleken bij ieder mens altijd antistoffen aanwezig te zijn tegen de bloedgroep(en) van het AB0-systeem die hij zelf niet bezit. Iemand met bloedgroep A heeft dus altijd antistoffen tegen bloedgroep B en andersom. Antistoffen van het AB0-systeem zijn krachtig en breken alle erytrocyten af waarop de bloedgroep aanwezig is waartegen ze gericht zijn. Dit verklaart waarom bloedtransfusies vóór 1900 vaak desastreuze gevolgen hadden. Sindsdien wordt dan ook met de AB0-bloedgroep van donor en patiënt rekening gehouden. Toen het systeem bekend was, kon de eerste stap worden gezet naar de ontwikkeling van een bloedtransfusietherapie.

Later bleken er nog meer bloedgroepsystemen op het membraan van de rode bloedcel te liggen en er zijn thans ruim 200 erytrocyten-bloedgroepen bekend. Gelukkig zijn bij deze andere systemen niet als regel antistoffen aanwezig tegen de bloedgroep die bij de betrokkene ontbreekt – zoals bij het AB0-systeem. Als dit met andere bloedgroepsystemen ook het geval was, zou bloedtransfusie tussen mensen praktisch onmogelijk worden, aangezien er meer dan een miljoen combinaties mogelijk zijn.

Caracterization of Erythrocyte Membrane Proteins: http://www.ruf.rice.edu/~bioslabs/studies/sds-page/gellab.html

Verder kunnen er antistoffen tegen andere bloedgroepen ontstaan, namelijk wanneer iemand zonder die bloedgroep in aanraking komt met de erytrocyten van iemand die de bloedgroep wél heeft. Gelukkig vindt een dergelijke vorming van antistoffen tegen andermans bloedgroepfactoren slechts zelden plaats, op één uitzondering na. Als deze antistofvorming vaker zou voorkomen, zou dat bloedtransfusie veel moeilijker maken. Immers, het is praktisch onmogelijk om iemand te transfunderen met donor-erytrocyten die voor álle bloedgroepen identiek zijn met de erytrocyten van de patiënt. Er is één andere bloedgroep waarmee we altijd rekening moeten houden: de rhesusfactor.


« terug