Bloedcellen kunnen, evenals andere celtypen, ontaarden in kwaadaardige (maligne) cellen. Hierdoor ontstaat een vorm van kanker die kan worden herkend aan een ophoping van bloedcellen, alle in hetzelfde stadium van ontwikkeling. Het begrip leukemie werd in 1856 geïntroduceerd door de Duitse patholoog Virchow. Hij beschreef eenvoudigweg wat hij waarnam in een buis met bloed van een patiënt: een 'witte neerslag', veroorzaakt door een enorm numeriek overwicht van de witte bloedcellen over de rode. Hij gebruikte hiervoor het Griekse woord leukemie, dat 'wit bloed' betekent.
Acute lymfatische leukemie
Wanneer kwaadaardige bloedcellen zich voornamelijk in het beenmerg en het bloed ontwikkelen en ophopen, spreekt men van een leukemie. Zijn deze cellen primair in lymfatisch weefsel overmatig aanwezig, bijvoorbeeld in de lymfeklieren, dan spreekt men van een lymfoom.
Leukemieën worden onderverdeeld in acute en chronische leukemieën. Bij de acute vorm zijn de maligne cellen onrijp, bij chronische leukemieën daarentegen rijp. De acute en de chronische leukemieën worden, afhankelijk van het celtype, ingedeeld in lymfatisch en myeloïd.
Chronische lymfoïde leukemie
Acute promyelocyten leukemie |