Antistoffen in de bloedbaan
De evolutie heeft ongelooflijk veel verschillende vormen van het leven tot gevolg gehad. Veel van deze vormen hebben een levend organisme van een andere soort, een gastheer, nodig om zich in te handhaven en te ontwikkelen of voort te planten. Deze levensvormen zijn veelal microben, zoals virussen, bacteriën en schimmels. Ondanks de geringe afmetingen van deze micro-organismen kan de aanwezigheid van sommige typen de gastheer beschadigen of doden. Bij het onschadelijk maken van een dergelijke indringer in het menselijk lichaam is voortdurend ons afweerapparaat actief – het immuunsysteem, dat voor een groot deel met bloed en het bloedvatstelsel verweven is.
In de jaren tachtig van de vorige eeuw ontdekte de Rus Elie Metchnikoff dat bacteriën konden worden opgenomen door bepaalde kleurloze cellen die in de bloedsomloop voorkomen. Hij deed deze observatie aanvankelijk in de larven van zeesterren maar daarna ook bij hogere organismen, inclusief de mens. Ter onderscheiding van de rode bloedcellen werden deze kleurloze cellen leukocyten, witte bloedcellen, genoemd.
De Duitse geleerde Paul Ehrlich bezoekt het vermaarde Institut Pasteur in Parijs
Ongeveer terzelfder tijd ontdekte de Duitser Paul Ehrlich dat het bloed bacteriedodende stoffen bevat. Er bestonden dus cellulaire én zogeheten humorale factoren die de afweer tegen bacteriën regelden. Aanvankelijk leken deze twee vondsten met elkaar in tegenspraak en bestond er een wetenschappelijk geschilpunt, maar alras werd duidelijk dat beide systemen elkaar aanvullen en versterken in hun bacteriedodende (bactericide) werking. In 1908 ontvingen Metchnikoff en Ehrlich gezamenlijk de Nobelprijs voor Fysiologie en Geneeskunde. Zij waren de belangrijkste grondleggers van de immunologie, de studie van immuun-biologische reacties, ofwel de wijze waarop een organisme zich verweert tegen bepaalde invloeden uit zijn omgeving, zoals infecties.
Nobelprijswinnaars
Er volgde veel immunologisch onderzoek. Al gauw bleek dat er meer factoren in het spel waren en dat het afweerapparaat dient te worden verdeeld in een specifiek en een niet-specifiek systeem – een functioneel onderscheid. Het specifieke immuunsysteem beschikt over het vermogen in het weefsel 'vreemde' kenmerken van 'eigen' kenmerken te onderscheiden en heeft bovendien een 'geheugen' voor specifieke kenmerken waarmee het eerder heeft kennis gemaakt. De werking van het specifieke systeem volgt later, eerst nemen we het niet-specifieke onder de loep. |